Instituut Collectie Nederland

Veiling Gemeentemuseum Den Haag

Attention: open in a new window. PDF 

In maart 2005 veilde het Gemeentemuseum Den Haag een groot aantal schilderijen bij Sotheby's. Voor het eerst in Nederland werd de museale herkomst expliciet vermeld in en veilingcatalogus en de publiciteit.

Het stringente beleid van directeur Hans Locher ten aanzien van selectie en afstoting is onder zijn opvolger Wim van Krimpen niet voorgezet. Titus Eliëns, sinds 2002 hoofd Collecties, voert een andere koers waar het gaat om collectievorming. Eliëns’ uitgangspunt bij selectie is het collectieplan, dus in de eerste plaats een inhoudelijke en kwalitatieve benadering, niet een kwantitatieve. In het proces van selectie en afstoting gaat hij strikt te werk volgens de Lamo-procedure.

Objecten die niet uit een legaat of schenking zijn verkregen worden eerst aan andere musea aangeboden. Als dat niet lukt kan aan verkoop via veiling of aan de handel worden gedacht. De opbrengst komt in een aankoopfonds, waar andere stukken van worden aangeschaft. Verkoop van topstukken zoals destijds directeur Rudi Fuchs voorstelde, is binnen dit klimaat ondenkbaar. Eliëns benadrukt dat het Gemeentemuseum nooit iets verkoopt met als aanleiding iets anders te willen kopen, en ook niet om depotruimte te winnen. Een afstotingsbeleid dient op zichzelf te staan, waarbij het enige argument is dat een stuk niet (meer) thuishoort in de verzameling. ‘Mijn uitgangspunt is een coherente collectie.’ Transparantie is wat Eliëns te allen tijde wil nastreven: er moet inzage worden gegeven in wat er wordt afgestoten, waarom en hoe, evenals in de bestemming van de eventuele opbrengsten.

Bij de afdeling Beeldende Kunst is de afgelopen jaren een begin gemaakt met het opschoningstraject, dat al onder Fuchs was ingezet. In december 2003 vroeg directeur Wim van Krimpen aan het college van B&W toestemming tot afstoting van 138 schilderijen die geen rol meer speelden in de presentatie van de collectie. 31 werken konden worden herplaatst in  het Noord-Brabants Museum, het Drents Museum en het Rijksmuseum. Het Gemeentemuseum droeg deze werken over om niet. Het museum kreeg toestemming van de gemeenteraad om de overige 107 werken te veilen, mits de Raad van Toezicht van de Stichting Haags Gemeentemuseum ermee zou instemmen en de opbrengst ten goede zou komen aan de Reserve kunstverzameling Haags Gemeentemuseum. Het werd de eerste museumveiling waarbij een grote hoeveelheid afgestoten werken in één keer werd aangeboden en waarbij de museale herkomst rechtstreeks naar voren werd gebracht door het veilinghuis en door het museum zelf.  De publiciteit vanuit beide instellingen was zorgvuldig op elkaar afgestemd. De door Titus Eliëns beleden transparantie is duidelijk herkenbaar in deze aanpak.

Op 22 maart 2005 werden een kleine honderd negentiende- en twintigste-eeuwse schilderijen geveild bij Sotheby’s. De belangstelling voor de veiling was groot. De opbrengst  (197.700 euro, minus opgeld: 164.750 euro) was meer dan het dubbele van de hoogste schatting van Sotheby’s. Opvallend was dat een aantal laag getaxeerde Oost-Europese werken een veelvoud opbrachten. Een werk van de Poolse schilder Leopold Pilichowsky dat tussen 1.000 en 1.500 euro was geschat, werd verkocht voor 36.000 euro. Een andere uitschieter was het schilderij van de Hongaar István Szönyi dat eveneens 36.000 euro opbracht. Het schilderij van de Rus Masjkov leverde een verrassing op die aanvankelijk werd verzwegen. Deze zaak wordt hieronder apart behandeld. De openheid over motieven een aanpak van deze afstotingsoperatie sorteerde effect. In de pers verschenen alleen positieve berichten en de museumwereld oordeelde doorgaans positief over deze Haagse aanpak. De musea in Utrecht en Gouda zouden al snel volgen.

PT

 

Het schilderij van Masjkov

 

De veiling van afgestoten werken uit het Gemeentemuseum die hierboven is beschreven, leek een rimpelloos verlopen casus. Maar er zat nog een addertje onder het gras.

 

Tijdens de kijkdagen bij Sotheby’s Amsterdam bleek er ongemeen veel belangstelling te zijn voor een schilderij van ene I. Mackoff, die bij nader inzien werd herkend als Ilja Masjkov, een lid van de Russische subavant-garde uit het begin van de twintigste eeuw. Het werd teruggetrokken uit de veiling om op een later tijdstip in Londen te veilen, waar het een recordbedrag opbracht. Toen de pers hier achter kwam kreeg het Gemeentemuseum een storm van kritiek te verduren. De Lamo zou genegeerd zijn en het museum werd gebrek aan transparantie verweten. Sommigen meenden dat het museum het werk met zijn herziene identiteit opnieuw had moeten aanbieden aan de collega-instellingen. Titus Eliëns legt uit hoe en waarom het museum zo gehandeld heeft.

 

‘De affaire die geen affaire bleek te zijn’

Op 12 december 2005 werd bij het Londense veilinghuis Sotheby’s het bloemstilleven geveild van de Russische schilder Ilja Ivanovich Masjkov (1881-1944). Dit braaf geschilderde doek van enige bloempotten met een amaryllis, hyacinten en tulpen bracht het recordbedrag op van 2.136.000,- Engelse pond, een slordige 3.300.000 euro. Deze ongekend hoge opbrengst, het resultaat van een oververhitte markt van Russische kopers, veroorzaakte uiteraard de nodige opwinding. Vooral toen bleek dat het doek afkomstig was van het Gemeentemuseum Den Haag, dat dit werk sinds 1935 in bezit had.

Het schilderij van Masjkov maakte deel uit van onze afstotingsoperatie bij de afdeling Beeldende Kunst. Toen er verschillende telefoontjes uit Rusland kwamen met de vraag om informatie over het schilderij van Masjkov, besloot Sotheby’s na overleg met het Gemeentemuseum dit werk in te brengen in een speciale Russian sale in Londen, waar het voor een betere doelgroep kon worden geveild en zodoende mogelijk een hogere opbrengst zou genereren. Een niet onverstandig besluit gezien het grote bedrag dat het werk opbracht.

Hoewel de hele afstotingsoperatie steeds in alle openheid was gevoerd, besloot het Gemeentemuseum de verkoopresultaten van de Masjkov niet eerder bekend te maken dan nadat het museum de opbrengst had aangewend voor een aantal belangwekkende aankopen op het gebied van de moderne kunst. Want dankzij dit fortuinlijke bedrag was het museum eindelijk in staat een aantal gaten in de collectie op te vullen. Het ‘nog even geheim houden’ van de spectaculaire opbrengst werd ingegeven door de commerciële overweging dat het museum zijn zakelijke positie op de kunstmarkt, waarin het met grote regelmaat fikse kortingen afdwingt, niet wilde aantasten.

Door een publicatie in de HP/De Tijd van 18 juli 2006, waarin niet alle feiten even correct werden weergegeven, werd het stilzwijgen helaas doorbroken. Dit was niet alleen jammer voor de strategische koers waarvoor het museum had gekozen, maar ook voor de verkoop zelf aangezien deze het risico liep in een verkeerd daglicht te worden geplaatst. Deze laatste angst is gelukkig ongegrond gebleken. Het Gemeentemuseum heeft zich met deze verkoop volledig aan de richtlijnen gehouden zoals die door de Gemeente Den Haag en het Instituut Collectie Nederland zijn vastgelegd. De affaire Masjkov bleek geen affaire te zijn. We kunnen slechts concluderen dat het Gemeentemuseum door een gelukkig toeval op het juiste moment een voor het Nederlands kunstbezit niet interessant werk heeft afgestoten, dat daarentegen voor de Russische markt commercieel gezien zeer aantrekkelijk bleek te zijn. Het betreft hier daarom een atypisch voorbeeld van afstoten.